
In Rotterdam zwaaien de Rotterdamse goden met de scepter, bij mist, regen, zonneschijn of zinderende hitte laten zij hun stemming gelden. Ook al zegt de Rotterdammer niet in sprookjes te geloven, het is moeilijk te geloven, aangezien je geen Rotterdammer bent voor je plezier. Het kan niet anders dat de Rotterdammer zijn lot beklaagt en voortdurend blijft dromen over grote daden, grote dagen en grote vragen. Hand in hand met de ziel onder de arm. Ach Rotterdammert, kijkt niet de morgenstond uit de boom totdat het avondrood je de kaas van het brood vreet.
Als je eenmaal de zachte kant van Rotterdam hebt gezien, dan kan je in één moeite kijken van haar begintijd tot haar eindtijd, kijk niet te snel, kijk er niet overheen, dan leer je van haar tussentijd, over hoe Rotterdam zich wist te bekwamen in verhalen die niet te filmen of te rijmen zijn zonder een beetje genade…
“In het begin is er een worsteling, op het eind is er een Rotteling..” is een oud Rotterdams gezegde, dat refereert aan de mythische begintijd van Rotterdam waar woelige wateren voortdurend met elkaar strijden in de immer durende maalstroom van de oerstorm.
De Ouwe Rot en Moeke Maas, in hun eeuwig wild geraas, is geen van beide elkaar de baas.
Hun wilde dans brengt reuzen en kloppers voort, zij die stampen op het land en zij die grijpen aan de waterkant. Hillegonda leegt haar schort terwijl de Kralingers zich eigen maken van de drassige zwarte kleigrond.

Lang blijft dit evenwicht niet duren want de nymf wil ook wat. Op een dag valt er één nymf omhoog en leert hij van de hoed en van de rand en vat hij hoe de drietand in de steel zit. Nymfen maken namen en namen maken daden.
Mercurius en Maasgod, heetten zij, zij veroorzaken opschudding met net, drietand en speer, op zoek naar Het Mein Domein en het Heerlijke Heyr. Op hoge hakken gaan ze door de koopgoot, ze verleiden, ze bedreigen en ze onteigenen.
Mercurius en Maasgod dagen de Ouwe Rot en Moeke Maas uit en vestigen hun Mein Domeinen: het Onderwaterpaleis en het Luchtkasteel. Hun gedwongen verbintenissen met Schienimf en Rottenimf leiden tot conflicten, met als tragisch gevolg de Kindermoord op Rotta, het eerste kroost van de Rottenimf wordt de nek omgedraaid door haar eigen moeder.
Het tweede kroost, Rotterdam, zal altijd getekend worden door de vernietiging van Rotta en haar vernietiging periodiek herbeleven. Schiedam zal het iets beter afgaan maar een deken van duisternis zal ook altijd op haar rusten en zij zal het uiteindelijke lot van Rotterdam ook genieten.

De Mein Domeinen, van Mercurius en Maasgod houden stand totdat De Tijdsgeest verandert en er een nieuwe generatie chaotische goden verschijnt, die de weg bereidt voor de laatste schemering van Rotterdam.In eerste instantie proberen Maasgod en Mercurius het Nimfengespuis en Geestesgesuis te sussen en te sturen, maar het schuim der water en de kou uit de lucht doet de oudere goden in de vergetelheid raken, waardoor hun grip op hun domeinen verzwakt. De nieuwe generatie goden wint aan invloed, het Nimfengespuis en Geestesgesuis maken optimaal gebruik van het getij dat keert en de wind die uit de andere hoek waait om ongrijpbaar te worden voor gevestigde structuren.
De oudere goden proberen wanhopig hun macht te consolideren door de geboorte van de Rotteling te voorkomen, maar zorgen juist voor zijn komst. Zodra hij geboren is, willen ze hem vernietigen, maar dat blijkt voor hen een brug te ver.
De vernietiging van De Rotteling valt de nieuwe goden toe waarmee de laatste periode van Rotterdam begint, gekenmerkt door een voortdurende strijd tussen nieuwe goden en De Rotteling, een strijd die zal leiden tot de laatste schemering van Rotterdam op aarde, naar haar Rötterdämmerung, een cataclysmische afrekening met Rotterdam die ze niet meer te boven zal komen….
